10 juli 2007 door Laura Vogels
De huidige fusie- en overnamegolf overtreft de internethype van de jaren negentig. Toch presteren bedrijven na een fusie of overname slechter dan gemiddeld. Dat bericht Trouw vanochtend. Het bedrag dat dit jaar aan fusies en overnames is gespendeerd nadert al de drieduizend miljard dollar. Waar de vorige grote overnamegolf eindigde in een recessie, wordt voor de komende jaren een gunstig beursklimaat voorzien. Dat is te danken aan het feit dat de huidige fusies voornamelijk met contanten worden betaald en niet met overgewaardeerde aandelen, zoals eind jaren negentig. Dat concludeert Iris, het onderzoeksinstituut van Rabobank en Robeco, in een rapport speciaal gewijd aan fusies en overnames.
Grote aanjager van de overnamegolf is de snel groeiende invloed van private equity, investeringsmaatschappijen die bedrijven opkopen, herstructureren en vervolgens weer doorverkopen. Grote institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen en vermogenbeheerders, hebben veel geld in deze beleggingsvorm gestoken.
Een belangrijke reden om een bedrijf tot overnamekandidaat te bestempelen is de mogelijkheid om veel geleend geld op de balans te kunnen toevoegen. Bedrijven met een gezonde balans worden dan juist interessante overnamekandidaten omdat zij nog veel geld bij kunnen lenen. De lage rente van de laatste jaren zorgt ervoor dat de kosten van deze truc, vooral toegepast door private equity, niet hoog zijn. Bedrijven met weinig schuld en veel contant geld op de balans financieren zo vaak hun eigen overname, terwijl investeringsmaatschappijen een hoog rendement halen.
Private equity neemt ongeveer een vijfde deel van de totale som aan fusies en overnames voor zijn rekening. Maar de angst om in beeld te komen als overnamekandidaat zorgt ervoor dat bedrijven zelf ook sneller op overnamepad gaan, of in elk geval zorgen dat er niet al teveel geld op de balans blijft staan. Veel bedrijven keren daarom grote dividenden uit, of kopen eigen aandelen terug om zo buiten beeld van investeringsmaatschappijen te blijven.
Het onderzoek laat echter zien dat de bedrijven na een fusie of overname vrijwel altijd slechter presteren dan gemiddeld. De onderzoekers van Iris bekeken de gevolgen van elf fusies waarbij een Nederlands bedrijf betrokken was. De gemiddelde koersontwikkeling van die bedrijven is tot twee jaar na de fusie 7,5 procent lager dan de rest van de beurs. Eerdere internationale onderzoeken gaven al eenzelfde beeld. Dat bedrijven toch systematisch de verwachte effecten te hoog inschatten, wijten de auteurs deels aan de druk vanuit de markt. Bedrijven zijn vaak bang de boot te missen en betalen daarom liever wat teveel dan achteraf misschien spijt te krijgen.
Iris onderzocht ook mogelijke Nederlandse overnamekandidaten (zie inzet). Op basis van strategische overwegingen, mogelijkheid tot herstructurering of een lage waardering op de beurs werden tien bedrijven geselecteerd. Eén daarvan viel gisteren al in de prijzen: Univar ontving een bod van ruim 1,5 miljard euro van investeringsmaatschappij CVC.